Uit de punten a), b) en d) ontstond de gedachte aan een dooskiel (zie ontwerp), waardoor bereikt werd: weinig diepgang een vlakke bodemplaat breed 70 cm., daardoor rechtop droogvallend; vloer kan diep gelegd worden tussen de zwaardkasten, hierdoor stahoogte met geringe kajuitopbouw.
     
Een midzwaard zou een sta in de weg zijn, daar deze de vloer in 2 delen zou splitsen, hieruit ontstond de gedachte aan 2 zwaarden in de voorzijde van de zitbanken van de woonkajuit, te bedienen bij de kajuitingang kuipzijde.
Verder gaf de keuze van 2 zwaarden de mogelijkheid deze enige toespoor op de hartlijn van het schip te geven, waardoor het in gebruik zijnde zwaard effectiever kon worden, tevens dieper zou gaan steken dan één midzwaard.
     
Punt c): deed de achterkajuit ontstaan, daar deze gedeeltelijk met de kooien onder de kuipbanken ligt.
Punt h): de motor kan in de dooskiel en ligt zo diep dat hij als ballast werkt.
Punt e) knikspant is een goedkope bouwmethode.
     
Stabiliteit en kenterbaarheid: Deze zijn voldoende betrouwbaar, zoals in de praktijk blijkt. Een Nienke II is zonder meer tot de kajuitopbouw scheef te zeilen en geeft dan geen onveilig idee (voor een goede snelheid is dit echter niet wenselijk met het dek onder water). Aan de wind helt het schip normaal tot 20 a 25°. 30 is erg veel. Er zijn mij geen gevallen bekend van platslaan.
     
Als u de schets bekijkt ligt het zwaartepunt van de ballast op +/- 70 cm onder de waterlijn (kan een dikke stalen plaat zijn van bv. 5 cm).
     
De maten van de brede kiel liggen vrij dicht in de buurt van een normale dooskiel. De opbouw en de tuigage aan de lichte kant houden is noodzakelijk, daar teveel topgewicht teveel ballast vraagt, en dit geeft een te diep liggend jacht (slecht zeilen).
     
Rendement zwaarden Deze kunnen met enig toespoor op de hartlijn afgesteld worden, want net als bij de Oudhollandse zijzwaarden wordt er maar één gebruikt, namelijk het lijzwaard.
     
Verder is het ook mogelijk het zwaard iets hol te maken, reeds lang bekend bij zijzwaarden. Men kan dus bereiken een hoog rendement voor het zwaard met weinig nat oppervlak (minder dan voor een normale kiel). De zwaardkasten zijn van 4 of 5 mm staalplaat en geven in de praktijk geen problemen
     
En nu de praktijk: Het blijkt dat een goed gebouwde en getrimde Nienke gelijk op kan kruisen met een gewoon kieljacht, doch niet met een wedstrijdjacht (het is zelf ook een toerschip). De prestaties zijn duidelijk beter dan die van een platbodem. Doorslaggevend blijkt te zijn tezamen met een goede bouw: een goed staand tuig én de stuurmanskunst van de roerganger.
     
Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de moderne bouw in polyester voordelen geeft betreffende gewicht en waterverplaatsing, waardoor grotere snelheden mogelijk zijn geworden.
     
Maar de voordelen van het wadvaren zijn voor mij zo overwegend, dat ik de topsnelheid wel kap missen: zandbanken zijn geen obstakels, integendeel, ze maken droogvallen mogelijk en op de banken zwerven, mosselen zoeken, een priel afzetten voor scharvissen, helemaal alleen zijn met kilometers om je heen niemand. Of onder een eiland, b.v. Juist (waar geen haven is), voor anker gaan en enige dagen blijven. Het jacht staat toch rechtop bij het droogvallen en geeft geen enkel ongerief.
     
Je kunt bij halftij droogvallen en dan ± 6 uur op het eiland verblijven. Of nog hogerop gaan liggen (dus je boot eerder vast laten lopen) dan kan je zeker 9 uur wegblijven, voordat er weer water rondom de boot is.
     
Daar het jacht 70 a 80 cm diep ligt kun je trouwens altijd wadend aan boord komen.
Er zijn nog meer voordelen: b.v. in Friesland de meren bezeilen waar een diepgaand jachtje boven 1 meter niet kan komen, alle walletjes op de meren kun je praktisch aanlopen en op ondiepe gedeelten ankeren (lekker rustig)
     
<< terug Inhoud verder >>